Het Montessori-onderwijs is ontworpen om kinderen in hun eigen tempo hun eigen mogelijkheden te leren ontdekken en zichzelf te ontplooien. De zelfstandigheid van de kinderen wordt sterk benadrukt. Het Montessori-onderwijs werkt met groepen kinderen van verschillende leeftijden:

In een groep zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar. Hierdoor kunnen de ouderen
de jongeren helpen en leren de jongeren de ouderen hulp vragen. Het
Montessori-onderwijs is in principe voor elk kind geschikt. De methode is immers
ontwikkeld vanuit het kind. Juist door de grote mate van individuele begeleiding
biedt deze methode goede mogelijkheden voor verschillende typen kinderen.
Zo
wordt het stille, teruggetrokken kind anders benaderd dan zijn meer beweeglijke
groepsgenoot. Een kind dat zich moeilijk kan concentreren, krijgt een begeleiding
die daarop gericht is. Er wordt niet uitgegaan van de zogenaamde gemiddelde
leerling. Ieders aanleg en eigen aard worden gerespecteerd. Het kind krijgt
de kans op eigen wijze en in zijn eigen tempo door te gaan.
De leerkracht observeert
of de keuze die het kind maakt in redelijke verhouding blijft tot de mogelijkheden
van het kind. Door een strak registratiesysteem
kan de leerkracht de dagelijkse vorderingen bijhouden. Bovendien biedt de registratie
een controle op een evenwichtige ontwikkeling.
Zelfstandigheid
Montessori was van mening dat aan alle energie van het groot worden een onbewuste
doelgerichtheid ten grondslag ligt: het kind wil groot worden. De slogan ‘help
mij het zelf te doen’ vervat dan ook de kern van het Montessori - onderwijs
en de Montessori - opvoeding. Zich bevrijden uit een toestand van afhankelijkheid
en steeds zelfstandiger worden is voor elk kind een levenstaak van de eerste
orde. Het proces van ‘groot’ worden moet het kind zelf volbrengen;
niemand kan dat voor hem doen. Daarom is het volgens Montessori zo belangrijk
dat het kind de vrijheid krijgt om zijn omgeving te ontdekken en de dingen zélf
te doen die het zélf ook kan. Het kind heeft daarbij de hulp van de volwassenen
in zijn/haar omgeving nodig.
Volwassenen kunnen het kind helpen door goed te kijken naar het kind, goed
te kijken naar wat hij/zij onderneemt en waar hij/zij behoefte aan heeft. Zij
kunnen het kind hulp bieden door goede voorwaarden voor ontwikkeling te scheppen.
Ouders creëren thuis een situatie waarin het kind ‘aan het werk kan’.
Dit doen zij zowel door mogelijkheden en ruimte voor activiteiten te maken,
als door waar nodig grenzen te stellen. Montessori vindt het van belang dat
de ouders in dit geheel oog krijgen voor de eigenheid van het kind om het kind
behoedzaam en liefdevol op
weg te kunnen helpen naar een volledige ontplooiing
van de persoonlijkheid. Om nog eens met Montessori te spreken: zij vervatte
de taak van de volwassene in de volgende woorden: ‘prikkelen tot leven,
maar vrij laten in ontwikkeling’.
Ook op school scheppen de leerkrachten een leeromgeving waarin de kinderen materialen en activiteiten vinden die passen bij hun ontwikkeling en belangstelling. Hierdoor is de kans groot dat kinderen hun aangeboren nieuwsgierigheid behouden. De verschillen tussen kinderen en hun ontwikkelingsgang leiden tot allerlei vormen van differentiatie. Daar komt nog bij dat in een Montessorigroep kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar zitten, waardoor zij op veel verschillende manieren met elkaar kunnen samenwerken en elkaar helpen.